Baryancistrus xanthellus L81

Baryancistrus xanthellus L81

Wetenschappelijke naam: Baryancistrus xanthellus
L-nummer: L81
Algemene naam: Golden nugget pleco
Oorsprong: Zuid-Amerika / Brazilië / Rio Xingú
Maximale lengte: 25 – 28 cm
Temperatuur: 29 – 33 ºC
Dieet: Herbivoor (planteneter)

Taxonomie

Order: Siluriformes
Onderorder: Loricarioidei
Familie: Loricariidae
Onderfamilie: Hypostominae
Geslacht: Baryancistrus
Soort: Baryancistrus xanthellus, Rapp Py-Daniel, Zuanon, & Ribeiro de Oliveira, 2011


Beschrijving

Baryancistrus xanthellus, in de hobby ook bekend als Golden Nugget pleco, is een beschreven soort die is onderverdeeld in talloze L-nummers zoals L18, L85, L177, LDA60 en de L81. Ze komen bijna allemaal voor in de Rio Xingú in Brazilië. De reden voor de verschillende L-nummers is de verscheidenheid aan patronen en kleuren die B. xanthellus kan vertonen.

Het belangrijkste kenmerk van B. xanthellus is zijn krachtige, gedrongen bouw die hem een 'massief' uiterlijk geeft. Hij heeft opvallend kleine kieuwopeningen en special huidmembraan achter de laatste rugvinstraal. Daarnaast heeft hij meer dan 80 zeer kleine, dicht op elkaar geplaatste tandjes (premaxillaire tanden) op het voorste en meest prominente bot van de bovenkaak. Dit maakt dat hij een perfecte 'grazer' is voor algen.
Baryancistrus xanthellus verschilt van zijn soortgenoten door de aanwezigheid van een brede lichte band op de randen van de rug- en staartvin, en door de onbeplate buik (in tegenstelling tot gedeeltelijk of volledig beplaat bij B. demantoides, B. longipinnis en B. niveatus).

Het wordt een vrij grote vis van ongeveer 25 tot 28 cm en heeft een vrij platte kop.

Onderscheidende kenmerken van de L81:

De L81 onderscheid zich van de andere Golden Nugget varianten door twee, op kleur gebaseerde kenmerken; de stippenpatroon en de randen op de vinnen.

  • • Het stippenpatroon: De oranje-gele vlekken op zijn lichaam en vinnen zijn over het algemeen kleiner in diameter. Daardoor lijken ze dichter bij elkaar of meer verspreid over het lichaam te liggen (vergeleken met de B. xanthellus L177). Er zit minder zwart tussenruimte tussen de stippen.
  • • De rand aan de vinnen: De gele of oranje rand op de vinnen van de L81 is duidelijk smaller. Deze rand is nog steeds aanwezig en felgeel, maar heeft niet de massieve, brede zoom van de Iriri-variant.

Baryancistrus xanthellus komt van het Grieks: barys betekend zwaar en agkistron betekend haak, mogelijk verwijzend naar de odontodes op de kieuwen. Xanthellus betekend geel. Dit is een verwijzing naar de heldergele vlekken op het lichaam en de gele banden op de vinnen van deze soort.


Verspreiding en leefgebied

Baryancistrus xanthellus komt alleen voor in de Braziliaanse deelstaat Pará, met name in het stroomgebied van de Rio Xingú en zijn zijrivieren. De Rio Xingú is een van de grootste en ecologisch meest unieke zijrivieren van de Amazone. Deze L81-variant komt voornamelijk voor in de hoofdstroom van de Xingú zelf, maar wordt ook aangetroffen in de zijrivieren van het stroomgebied. De Rio Xingú is een rivier met helder water. Baryancistrus xanthellus is een van de meest voorkomende pleco-soorten in de Xingu rivier.

De bedding van de Rio Xingú bestaat voornamelijk uit donker vulkanisch gesteente, grote rotsblokken en grind. Het is een warme en zuurstofrijke rivier met helder water en krachtige stromingen. De watertemperaturen zijn constant hoog, met temperaturen variëren van 29 °C tot meer dan 33 °C in de ondiepere gedeelten. Het water is er zacht en licht zuur.

De L81 leeft hier tussen en onder rotsen in gebieden met sterke tot zeer sterke stromingen en stroomversnellingen. Jonge dieren worden vaak dichter bij de oevers aangetroffen waar minder stroming is.

Baryancistrus xanthellus L81 deelt zijn leefgebied met een grote verscheidenheid aan andere Loricariidae, waaronder soorten als de Hypancistrus zebra L46, Scobinancistrus aureatus L14, Parancistrus nudiventris en andere Baryancistrus-soorten.


Dieet

Onderzoek met wilde exemplaren toont aan dat deze soort zich in het wild voornamelijk voedt met algen en biofilm wat op de rotsen groeit. Algen, met name de draadachtige soorten zoals Spirogyra, en diatomeeën. Af en toe werden bryozoën (mosdiertjes) en chironomiden larven (Dansmuggenlarven) gevonden.

Wanneer Baryancistrus-soorten echter worden geïmporteerd, zijn ze vaak ondervoed en/of hebben ze gezondheidsproblemen. Omdat ze een relatief hoog metabolisme hebben en in het wild constant grazen op biofilm, zijn ze bij import vaak uitgehongerd en hebben ze een ingevallen buik. Soms hebben ze ook een zwarte buik en dan is het, zo is mijn ervaring, vaak niet meer mogelijk om ze in deze kritieke toestand weer aan het eten te krijgen.
Deze pleco-soort heeft daarom vaak een langere quarantaineperiode nodig om te acclimatiseren. Daardoor zijn het, zeker in het begin, niet de gemakkelijkste vissen om te houden.

Wat voer ik mijn Baryancistrus xanthellus L81?

In het aquarium is het, vooral in het begin, belangrijk om ze meerdere maaltijden per dag aan te bieden met gevarieerd voer dat voornamelijk uit plantaardig materiaal bestaat.

Ik voer mijn B. xanthellus voornamelijk met EBO Spirulina pasta (wat ik op een steen smeer zodat ze op een natuurlijke manier kunnen grazen), EBO Spirulina soft granulaat en soms wissel ik dit af met EBO Veggie sticks. Als extra groente geef ik courgette, waar ze ook van kunnen grazen.

Zelfgemaakte recepten met gelatine, bestaande uit een mengsel van gepureerd visvoer, schaaldieren en groenten, blijken volgens sommige verzorgers ook goed te werken omdat de ingrediënten naar wens kunnen worden aangepast.


Aquarium

Minimaal 120 - 150 cm groot.

Het houden van deze soort thuis is niet altijd eenvoudig vanwege zijn vrij lastige voedingspatroon, vooral tijdens de eerste overwenningsfase. Het is daarom geen vis voor beginners.

Omdat Baryancistrus xanthellus vrij groot wordt, gedijt hij het best in een ruim aquarium met voldoende schuilplaatsen en eventueel andere vreedzame vissen. Er moeten voldoende legholen en/of schuilplaatsen in het aquarium aanwezig zijn.
Ze kunnen in een groep worden gehouden, maar houd er rekening mee dat volwassen mannetjes territoriaal kunnen zijn ten opzichte van elkaar en andere vissen.

Het aquarium kan worden ingericht met een zandbodem, gladde stenen, legholen en eventueel kienhout.

Deze pleco's zijn over het algemeen vrij schuw en houden niet van fel licht. Aan de andere kant kan fel licht de groei van algen en sporen in het aquarium veroorzaken, waar de vissen van zullen grazen.

Een goed filter is ook erg belangrijk. Dit komt omdat deze vissen, zoals gezegd, van nature in warm, snelstromend water leven. Ze hebben dus altijd schoon water nodig om gezond te blijven. Bovendien hebben ze een snelle stofwisseling, waardoor het water sneller vuil wordt. Wekelijks water verversen is daarom essentieel.
Een goede oppervlaktestroming/waterbeweging of beluchting is ook essentieel, aangezien deze soort veel zuurstof nodig heeft.


Geslachtsverschil

Hoewel deze soort door veel mensen wordt gehouden, hebben maar weinigen hobbyisten thuis een volgroeid exemplaar. Dit komt waarschijnlijk doordat deze vis bijna altijd, voor 90% als zeer kleine exemplaren worden geïmporteerd en verkocht en ze ook relatief langzaam groeien.
Er zijn veel vragen over het geslacht van de L81 of andere aantallen B. xanthellus te vinden op het internet, maar vanwege het meestal nog kleine formaat kunnen ze niet echt worden beoordeeld op geslacht.

Helaas heb ik op dit moment nog geen koppel gevonden om het geslachtsverschil te kunnen fotograferen.

Het geslachtsverschil is vergelijkbaar met de Baryancistrus xanthellus L177.


Voortplanting en kweken

Kweken in gevangenschap heeft tot nu toe slechts een paar keer plaatsgevonden. Ze legen de eieren in legholen waarna de man voor de eieren en jongen zorgt.

Ik gebruik voor deze soort zelf de ronde legholen met de lengte van 28 cm en een diameter van ongeveer 8 - 9 cm.


Literatuur

Rapp Py-Daniel, L. H., Zuanon, J., & Ribeiro de Oliveira, R. (2011)
Two new ornamental loricariid catfishes of Baryancistrys from Rio Xingu drainage (Siluriformes: Hypostominae).
Neotropical Ichthyology, 9 (2): 241 - 252